Schematherapie 18 oude onaangepaste schema’s

 

1. Verlating/instabiliteit

De subjectief ervaren instabiliteit of onbetrouwbaarheid van degenen die beschikbaar zijn voor steun en verbondenheid.

Houdt het gevoel in dat belangrijke anderen niet in staat zullen zijn emotionele ondersteuning, verbondenheid, kracht of praktische bescherming te blijven geven omdat ze emotioneel instabiel en onvoorspelbaar (bijv. woede-uitbarstingen), onbetrouwbaar of slechts onregelmatig aanwezig zijn, omdat ze zullen doodgaan of omdat ze je in de steek zullen laten voor iemand die beter is.

 

2. Wantrouwen/misbruik

De verwachting dat anderen je pijn zullen doen, misbruiken, vernederen, bedriegen, beliegen, manipuleren of gebruik van je zullen maken.

Houdt gewoonlijk de perceptie in dat pijn/schade opzettelijk wordt toegebracht of het gevolg is van ongerechtvaardigde en extreme verwaarlozing. Kan ook het gevoel inhouden dat anderen je uiteindelijk altijd te slim afzijn en dat je altijd ‘aan het kortste eind trekt’.

 

3. Emotioneel tekort

De verwachting dat anderen onvoldoende tegemoet zullen komen aan je verlangen naar een normale mate van emotionele steun.

De voornaamste vormen van emotioneel tekort zijn:

  • A. gebrek aan koestering : het ontbreken van aandacht, affectie, warmte of gezelschap;
  • B. gebrek aan empathie : het ontbreken van anderen die begrip tonen, luisteren, zich blootgeven of laten delen in hun gevoelens;
  • C. gebrek aan bescherming : het ontbreken van anderen die kracht, richting of raad geven.

 

4. Tekortschieten/schaamte

Het gevoel dat je tekortschiet, slecht, ongewenst, minderwaardig bent of op belangrijke punten zwak bent en dat je voor anderen niet de moeite waard bent om van te houden als je wordt ontmaskerd.

Dit kan inhouden: overgevoeligheid voor kritiek, afwijzing en verwijten; je onbehaaglijk en onzeker voelen in gezelschap van anderen
en jezelf met hen vergelijken; of een gevoel van schaamte over subjectief ervaren zwakheden.

Deze zwakheden kunnen alleen innerlijk (bijv. zelfzuchtigheid, woede-impulsen, onaanvaardbare seksuele verlangens) of ook uiterlijk waarneembaar zijn (bijv. ongewenst uiterlijk, sociale onhandigheid).

 

5. Sociaal isolement / vervreemding

Het gevoel dat je geïsoleerd bent van de rest van de wereld, anders bent dan andere mensen en/of geen deel uitmaakt van een groep of gemeenschap.

 

6. Afhankelijkheid / incompetentie

De overtuiging dat je niet in staat bent je dagelijkse verantwoordelijkheden op competente wijze na te komen zonder aanzienlijke hulp van anderen (bijv. voor jezelf zorgen, dagelijkse problemen oplossen, dingen goed beoordelen, nieuwe taken aanpakken, goede beslissingen nemen). Komt vaak over als hulpeloos.

 

7. Kwetsbaarheid voor ziekte en gevaar

De overdreven angst dat er elk moment een ramp kan gebeuren en dat je die niet zult kunnen voorkomen.

Angsten betreffen een of meer van de volgende mogelijkheden:

  • (a) medische rampen (bijv. hartaanval, AIDS)
  • (b) emotionele rampen (bijv. gek worden)
  • (c) rampen van buitenaf (bijv. neerstortende lift, geweldsmisdrijf, neerstortend vliegtuig, aardbeving).

 

8. Kluwen / onderontwikkeld zelf

Overmatige emotionele betrokkenheid bij en band met een of meer belangrijke anderen (vaak ouders) ten koste van volledige individuatie of normale sociale ontwikkeling.

Houdt vaak de overtuiging in dat minstens een van de personen in het kluwen niet kan overleven of gelukkig kan zijn zonder de voortdurende steun van de ander.

Kan ook gevoelens van verstikt worden door of versmelten met anderen of onvoldoende individuele identiteit inhouden. Vaak ervaren als een gevoel van leegte of vastlopen, niet weten welke kant je op moet of in extreme gevallen twijfelen aan je bestaan.

 

9. Mislukken

De overtuiging dat je in verhouding tot leeftijdgenoten mislukt bent, onvermijdelijk zult mislukken of absoluut onvoldoende presteert (school, carrière, sport, etc.).

Houdt vaak de overtuiging in dat je dom, onbeholpen, onwetend bent, geen talent en minder status en succes hebt dan anderen, etc.

10. Veeleisendheid / grootsheid

De overtuiging dat je superieur bent aan anderen, aanspraak kunt maken op speciale rechten en privileges of niet gebonden bent aan de regels van wederkerigheid die normale sociale interacties sturen.

Houdt de overtuiging in dat je zou moeten kunnen doen of hebben wat je maar wil, ongeacht wat realistisch is, wat anderen redelijk achten of wat dat anderen kost; of een overdreven gerichtheid op superioriteit een van de meest succesvolle, beroemde of rijke mensen willen zijn) teneinde macht of controle te verwerven (niet primair om aandacht of goedkeuring te krijgen).

Behelst soms overmatige concurrentie met of overheersing van anderen, macht laten gelden, eigen standpunt doordrukken of het gedrag van andere bepalen overeenkomstig eigen verlangens, zonder medeleven met of bezorgdheid om de behoeften of gevoelens van anderen.

 

11. Onvoldoende zelfcontrole / zelfdiscipline

Voortdurend problemen met zelfcontrole en frustratietolerantie en die onvoldoende willen uitoefenen om persoonlijke doelen te bereiken of overmatige uiting van emoties en impulsen te beteugelen.

In mildere vorm vertoont de patiënt een overdreven nadruk op het vermijden van ongemak: het vermijden van pijn, conflict, confrontaties, verantwoordelijkheid of overmatige inspanning ten koste van persoonlijke vervulling, engagement of integriteit.

 

12. Onderwerping

Het overmatig afstaan van controle aan anderen omdat je je daartoe gedwongen voelt – zwichten om woede, vergelding of verlating te voorkomen. De twee belangrijkste vormen van onderwerping zijn:

  • A. onderwerping van behoeften : eigen voorkeuren, beslissingen en verlangens verdringen;
  • B. onderwerping van emoties : emoties, met name woede, verdringen.

Houdt gewoonlijk de perceptie in dat je eigen verlangens, meningen en gevoelens niet geldig of waardevol zijn voor anderen. Vertoont vaak overmatige meegaandheid, gecombineerd met overdreven vatbaarheid voor het gevoel in een val te zitten.

Leidt gewoonlijk tot opkroppen van woede, dat zich uit in onaangepaste symptomen (bijv. passief-agressief gedrag, onbeheerste driftbuien, psychosomatische symptomen, terugtrekken van affectie, uitageren, middelengebruik).

 

13. Zelfopoffering

Overmatige aandacht voor het uit eigen beweging tegemoetkomen aan de behoeften van anderen in dagelijkse situaties ten koste van eigen behoeftebevrediging.

De meest voorkomende redenen zijn: willen voorkomen dat je de ander pijn doet, schuldgevoel omdat je zelfzuchtig bent willen vermijden, relaties met anderen die als behoeftig worden gezien in stand willen houden.

Vaak het gevolg van acute gevoeligheid voor de pijn van anderen. Leidt soms tot een gevoel dat je eigen behoeften niet adequaat worden vervuld en tot rancune naar degenen voor wie je zorgt. (Overlapt het concept medeafhankelijkheid.)

 

14. Goedkeuring / erkenning zoeken

Overmatige nadruk op het verwerven van de goedkeuring, erkenning of aandacht van anderen of op aanpassen ten koste van het ontwikkelen van een veilig en waarachtig zelfgevoel.

Zelfrespect is primair afhankelijk van de reacties van anderen, niet van aangeboren neigingen.

Houdt soms het overdreven benadrukken van status, uiterlijk, sociale acceptatie, geld of prestatie in als middelen om goedkeuringbewondering of aandacht te krijgen (niet primair omwille van macht of controle).

Leidt vaak tot belangrijke levensbeslissingen die onoprecht of onbevredigend zijn of in overgevoeligheid voor afwijzing.

 

15. Negativisme / pessimisme

Een alles doordringende, levenslange gerichtheid op de negatieve aspecten van het leven (pijn, dood, verlies, teleurstelling, conflict, schuld, wrok, onopgeloste problemen, mogelijke fouten, verraad, dingen die verkeerd zouden kunnen gaan, etc.) terwijl je de positieve of optimistische aspecten bagatelliseert of daaraan voorbijziet.

Houdt gewoonlijk een overdreven verwachting in – op een breed gebied van werk, financiële en interpersoonlijke situaties – dat alles uiteindelijk totaal verkeerd afloopt of dat aspecten van het leven waar het goed lijkt te gaan, uiteindelijk ineen zullen storten.

Omvat meestal een buitensporige vrees om fouten te maken die zouden kunnen leiden tot financiële ondergang, verlies, vernedering of beklemd raken in een nare situatie.

Omdat eventuele negatieve gevolgen worden overdreven, worden deze mens er vaak gekenmerkt door chronisch piekeren, waakzaamheid, klagen of besluiteloosheid.

 

16. Emotionele inhibitie

De overmatige inhibitie van spontaan handelen, gevoelen of communicatie, gewoonlijk om afkeuring door anderen, gevoelens van schaamte of het verlies van controle over impulsen te voorkomen.

De meest voorkomende gebieden van inhibitie zijn:

  • (a) inhibitie van woede en agressie
  • (b) inhibitie van positieve impulsen (bijv. plezier, affectie, seksuele opwinding, spel)
  • (c) moeite om kwetsbaarheid te uiten of onbevangen over gevoelens, behoeften, etc. te communiceren
  • (d) overmatige nadruk op rationaliteit met voorbijgaan aan emoties.

 

17. Strenge normen / overkritisch zijn

De onderliggende overtuiging dat je ernaar moet streven om aan zeer hoge geïnternaliseerde normen voor gedrag en functioneren te voldoen, gewoonlijk om kritiek te voorkomen.

Heeft vaak tot gevolg dat je je onder druk voelt staan of er moeite mee hebt om het kalmer aan te doen en dat je overdreven kritisch bent naar jezelf en anderen. Doet aanzienlijk afbreuk aan genieten, ontspanning, gezondheid, zelfrespect, bevredigende relaties of het gevoel iets bereikt te hebben.

Strenge normen komen meestal tot uitdrukking in de vorm van:

  • (a) perfectionisme, ongewone aandacht voor details of onderwaardering voor eigen functioneren ten opzichte van de norm
  • (b) starre regels en ‘geboden’ op vele levensgebieden, waaronder irreëel strenge morele, ethische, culturele of religieuze voorschriften of
  • (c) preoccupatie met tijd en efficiëntie, de behoefte om meer tot stand te brengen.

 

18. Bestraffendheid

De overtuiging dat mensen streng gestraft moeten worden voor hun fouten. Omvat de neiging om boos intolerant, bestraffend en ongeduldig te zijn tegenover mensen (inclusief jezelf) die niet beantwoorden aan je verwachtingen of normen.

Houdt gewoonlijk moeite in met het vergeven van fouten van jezelf of anderen, vanwege weerstand om rekening te houden met verzachtende omstandigheden, toe te geven dat mensen niet volmaakt zijn of mee te leven met de gevoelens van anderen.

Schematherapie

Schematherapie is een Integratieve Cognitieve Gedragstherapie ontwikkeld door Jeffrey Young en zijn collega’s vanaf 1990.

Cognitieve gedragstherapie

Cognitieve therapie (CGT) gaat over de gekleurde bril die jouw betekenisverlening bepaalt. CGT kan zeer effectief werken bij psychische klachten.

Ik vind mezelf lelijk

Wat te doen als je jezelf lelijk vindt? Hoe kan je leren omgaan met dit soort gedachten?

Ik weet het niet meer

Hoe krijg je weer grip op je leven? Een heldere uiteenzetting met een duidelijk stappenplan en tips.

Waarom stel ik alles uit?

Uitstelgedrag komt veel voor. Wanneer wel of niet nuttig? En hoe kan je voorkomen dat je alles uitstelt?

Schematherapie

Schematherapie geeft handvatten om gedrag te verklaren en te veranderen. Ouder-kind-wijze volwassene schema.

Zelfbeeld

Ons zelfbeeld is heel belangrijk, het vormt de basis van ons handelen en het bepaalt hoe wij met andere communiceren.